Vertrouwensbeginsel ook aan de orde bij inlichtingen zonder daaromtrent geleden schade

    Kun je vertrouwen ontlenen aan algemene inlichtingen van de Belastingdienst ook al zijn deze achteraf onjuist of onvolledig?

    Belangrijk om te weten

    De Hoge Raad heeft als hoofdregel bepaald dat (algemene) inlichtingen niet bindend zijn voor de Belastingdienst, omdat de Belastingdienst de voorlichtende taak onbelemmerd moet kunnen vervullen. Daar past het niet bij de Belastingdienst gehouden te achten aan een onjuiste inlichting.

    Kenbaarheid- en dispositievereiste

    Onder voorwaarden acht de Hoge Raad wel mogelijk dat aan (algemene) inlichtingen vertrouwen kan worden ontleend, en wel als:

    • de inlichtingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige de onjuistheid van de inlichtingen redelijkerwijs had kunnen en moeten beseffen; en
    • afgaande op die onjuiste inlichtingen, de belastingplichtige een handeling heeft verricht of nagelaten, ten gevolge waarvan hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen, maar daarenboven schade lijdt (het dispositievereiste).

    Of het vertrouwensbeginsel opgeld deed bij een inlichting op de website moest de Belastingkamer van de Hoge Raad zich recent weer eens buigen.

    Op het principe van het dispositievereiste herziet de Hoge Raad zijn aloude arrest van 1979.[2] Uit dat arrest zou immers volgen dat de revisierente die bij een juiste toepassing van de wet in rekening moet worden gebracht niet is aan te merken als ‘daarenboven geleden schade’.

    Nu heeft de Hoge Raad bepaald dat in gevallen waarin de belastingplichtige, afgaande op – achteraf bezien onjuiste – informatie, een handeling heeft verricht of nagelaten ten gevolge waarvan een hoger bedrag van hem wordt geheven dan hij op basis van die informatie meende, het meerdere niet van de belastingplichtige mag worden geheven.

    Waar ging de zaak in feitelijke aanleg over?

    In deze zaak kocht belanghebbende in 2015 zijn lijfrenteverzekering af die hij in 1989 had afgesloten. De afkoopsom gaf hij aan als inkomsten uit vroegere arbeid. Bij de aanslag van de Belastingdienst over 2015 werd 20% revisierente in rekening gebracht. Deze revisierente, in totaal € 37.465, zou dus bovenop de al betaalde inkomstenbelasting komen.

    Belanghebbende ging in beroep en stelde dat hij aan mocht nemen dat hij geen revisierente hoefde te betalen op basis van de verstrekte informatie door de Belastingdienst op de website. Er stond vermeld dat er geen revisierente betaald hoeft te worden wanneer een lijfrentezekering was afgesloten vóór 16 oktober 1990.

    Zowel Rechtbank als Hof Den Haag stelde belanghebbende in gelijk waarop de staatssecretaris in cassatie ging en stelde dat de revisierente niet kon worden gedefinieerd als schade.

    In dit geval waren op de site zo precies en concreet de situaties benoemt waarin geen revisierente behoefde te worden betaald dat belanghebbende redelijkerwijs niet hoefde te betwijfelen dat het ging om een uitputtende omschrijving van de voorwaarden waaronder

    de Belastingdienst geen revisierente in rekening zou brengen. De beslissing tot afkoop was op de website gebaseerd. De lijfrente zou niet zijn afgekocht als op de website van de Belastingdienst de juiste informatie was vermeld.

    De Hoge Raad vond het niet (meer) passend indien vertrouwen enkel zou moeten worden afgewezen omdat het ondervonden nadeel is gelegen in hetgeen bij een juiste wetstoepassing zou moeten worden geheven.

    Het meerdere dan waarop belanghebbende mocht rekenen, in dit geval de in rekening gebrachte revisierente, is dan ook hetgeen niet mag worden geheven.

    Ten slotte

    Of dit arrest gevolgen zal hebben voor de informatie die de Belastingdienst nog bereid is in concrete zin te delen via de website of andere wijze, zal de praktijk moeten uitwijzen.

    Voor de rechtspraktijk is dit arrest een welkome aanvulling en een bevestiging dat een beroep op vertrouwen maar ook op andere beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het gelijkheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel e.d. niet zomaar ter zijde kan worden geschoven.

    Wilt u meer weten over de toepassing van beginselen van behoorlijk bestuur of heeft u andere vragen aangaande formeel belastingrecht, neem dan contact met ons via 010-7640804.

    Mr. Priscilla de Haas en Thomas Deutz