Oninbare vorderingen en btw: bezint eer ge begint

    Blog van Najat Idrissi

    Vrijwel elke ondernemer heeft te maken met afnemers die niet (meer) betalen. In de praktijk kom ik vaak tegen dat er allerlei soorten akkoorden worden gesloten met crediteuren om alsnog (een deel van) de openstaande vordering te betalen. Hierbij wordt veelal geen rekening gehouden met eventuele vervelende btw-consequenties.

    De systematiek

    In de omzetbelasting wordt het zogenoemde factuurstelsel gehanteerd. Dit betekent dat de in rekening gebrachte btw moet worden afgedragen in het tijdvak dat deze in rekening is gebracht. De crediteur kan de btw in aftrek brengen in het tijdvak waarin de factuur is ontvangen. Het voorgaande geldt ook als de factuur nog niet is voldaan. Hierop bestaat een uitzondering als het kasstelsel[1] van toepassing is. Ik ga er in deze blog van uit dat het kasstelsel niet van toepassing is.

    De spelregels

    Om aanspraak te kunnen maken op teruggaaf van btw moet de leverancier aannemelijk maken dat de vordering niet is betaald en ook niet betaald zal worden.

    De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een vordering is betaald als deze is omgezet in een geldlening[2]. Als de geldlening niet wordt afgelost bestaat er dan ook geen recht meer op teruggaaf van de btw. Een vordering is ook betaald als deze door de crediteur wordt verrekend met vorderingen die hij nog open heeft staan.

    Dat een vordering niet meer betaald zal worden kan bijvoorbeeld aannemelijk worden gemaakt aan de hand van correspondentie met de crediteur of een mededeling van de curator dat geen uitdeling zal worden gedaan.

    Kwijtschelding

    De fout die in de praktijk het meest wordt gemaakt is dat er finale kwijting wordt verleend. Op het moment van verlenen kwijting gaat de vordering teniet en is er dus geen oninbare vordering meer. Dit betekent dan ook dat er geen beroep kan worden gedaan op de teruggave regeling. Gevolg is dat een ondernemer dubbel pijn heeft: de vordering is (deels) onbetaald en de btw kan niet worden teruggevorderd.

    Door hier tijdig rekening mee te houden, kan een btw-probleem worden voorkomen. Bijvoorbeeld door een prijsvermindering overeen te komen in plaats van kwijting.

    Moment van teruggaaf

    Het recht op teruggaaf bestaat op het tijdstip waarop de gehele of gedeeltelijke niet-betaling is komen vast te staan. Vanaf 1 januari 2017 is wettelijk bepaald dat het recht op teruggaaf ontstaat uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vordering opeisbaar is geworden. Let wel dat als op enig eerder moment al blijkt dat de vordering oninbaar is, het recht op teruggaaf op dit moment bestaat. Door het recht op teruggaaf niet tijdig te effectueren, kan het recht verloren gaan.

    Conclusie

    Bezint eer ge begint! Raadpleeg voor het sluiten van akkoorden met crediteuren altijd een btw-deskundige. Door vooraf rekening te houden met de btw-aspecten kan worden voorkomen dat geen recht op teruggaaf bestaat van de btw. Ook voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting zijn er fiscale gevolgen (zoals een mogelijke vrijstelling bij kwijtschelding) die vooraf bekeken moeten worden. Hierover meer in een volgende blog.

    Vanzelfsprekend zijn we u hierbij graag van dienst.

    [1] Het kasstelsel geldt voor bepaalde in de wet aangewezen ondernemers die met name leveren aan particulieren. Bij toepassing van het kasstelsel is btw verschuldigd op het moment dat de vergoeding wordt ontvangen in plaats van op het moment waarop een factuur wordt uitgereikt.

    [2] Hoge Raad 30 september 2011, nr. 10/02246, ECLI:NL:HR:2011:BT5873.

    Direct contact?
    Mail
    Telefoon